Blokkades in herstel – deel I

Een van mijn oudste en leukste vriendinnetjes werkt op de SEH. Niet de SEH waar ik destijds naar binnen ben gebracht.

Wel de SEH die momenteel te zien is in een televisieprogramma. Laatst was ze voor het eerst te zien met een heel item. Ze werd gevolgd tijdens de intake van een nieuwe patiënt; een meisje van 14 jaar met een hersenschudding, mogelijk hersenletsel. Gevallen met de fiets. Geheugenverlies.

Op het moment dat ze de CT-scan in ging voelde ik de tranen opkomen.

Lag ik er ook zo bij?

Nee, waarschijnlijk niet. Er is me verteld dat ik niet zo rustig was. Ik wou geen hulp aannemen, en wou meer per se dan heel graag naar huis. Volgens m’n zusje was ik in paniek. Zelf herinner ik het me dit stuk niet meer.

Tijdens de revalidatie heb ik best wat gepraat met een (neuro)-psycholoog. Om een combinatie van redenen is het helaas nooit zover gekomen dat ik ook daadwerkelijk overstijgend kon leren.

Misschien dat ik mezelf nog niet helemaal kon laten zien en dat mijn patroon van groot houden zo enorm sterk was dat ze er tijdens de revalidatie ook niet doorheen konden prikken. Misschien dat de revalidatie, naar mijn idee, te conservatief en te veel gefocust was op het licht traumatische hersenletsel; dat klachten na een jaar of anderhalf jaar toch wel vrijwel altijd blijvend zijn. Terwijl ik zelf juist steeds meer begin te geloven in mogelijke blokkades in het herstel; en dat ik dat toen wellicht op onbewust niveau ook al deed.

In 2016 ben ik begonnen met meer echt naar mezelf kijken. Om er nu in 2017 nog een stapje verder in te gaan. Echt een soort van micro-bewustzijn. Waar veel mensen zeggen ‘vanaf nu alleen nog maar gericht op de toekomst’, geloof ik daar zelf niet meer zo in.

Dat heb ik namelijk al geprobeerd. Van vlak na het ongeval tot 2.5 jaar erna. Me groot en flink proberen te houden (mams, trouwe lezer, jij bent hier natuurlijk de uitzondering op 😉 ), focussen op terugkeren naar werk en weer volledig meedoen in de maatschappij.

In mijn hoofd dan.

Mijn lichaam deed niet mee. Het had me nog iets te vertellen. Ik had nog iets te leren. Ik had nog veel te leren.

Nu steeds meer kom ik erachter dat het groot houden juist een patroon is waarvan ik nu heel duidelijk zie dat het mijn herstel heeft tegengehouden. Een blokkade.

Groot houden. Flink zijn. Zelf oplossen. Weinig (negatieve) ruimte durven innemen.

Vooral geen hulp nodig hebben. Vooral alles helemaal zelf doen.

En dus raakte ik in totale paniek in het ziekenhuis op die SEH; waar mensen me heel duidelijk maakten dat ik hulp nodig had.

De dagen erna werd het weer duidelijk. In het ziekenhuis heb ik destijds dringend verzocht om mijn vriendinnen niet langs te laten komen op bezoek. Omdat de communicatie destijds volledig via mijn zusje liep had ik geen 100% controle en is deze boodschap (toen helaas, achteraf gezien gelukkig) niet bij al mijn lieve vriendinnetjes aangekomen.

Een paar zijn dus toch gekomen, maar dat terzijde; het gaat hier om het idee dat ik kennelijk liever niet had dat mensen me zagen.

Waarom niet denk ik nu? Waarom had ik er zoveel moeite mee dat ze mij als een zielig-hoopje-bont-en-blauw-(-en-paars-en-geel-en-groen) mens in een ziekenhuisbed zouden zien liggen? Waarom had ik het liefst dat behalve mijn moeder en zusje niemand anders me daar zou zien?

GROOT houden. Flink zijn. Weinig (negatieve) ruimte innemen. Alles zelf oplossen.

Tot tweeënhalf jaar na het ongeval heb ik het volgehouden. Dit hardnekkige patroon. Tegen vriendinnen zei ik destijds ook letterlijk ‘Vraag er maar niet meer naar’ omdat ik niet wist hoe ik moest antwoorden. Vaak barstte ik dan alleen maar in huilen uit van de spanning oftewel interne paniek.

Nu pas zie ik waardoor die interne paniek ontstond. Aan de ene kant mijn IK, mijn lieve zachte ik, mijn wil die graag zijn gevoel wou uiten. Verdriet in dit geval. Mijn wil die ruimte in wou nemen. En wou delen waar die mee zat. Die een arm om zich heen wou. Een schouder om te huilen. Die wou dat het verdriet er gewoon mocht zijn. Die gewoon een beetje liefde wou in een zware tijd.

En aan de andere kant de norm die ik vanuit mijn kindertijd zo extreem hoog heb gelegd aan wat mensen van me zouden verwachten. Mijn onbewust patronen om maar geen negatieve ruimte in te nemen en me altijd aan te passen. Dat stemmetje zei altijd ‘het moet toch leuk zijn’ en als het dan ook eigenlijk altijd best wel leuk was ‘ach zie je wel, het is toch leuk, wat stel ik me ook aan, waarom wou ik er überhaupt over beginnen’.

En hoe langer het duurt hoe moeilijker het wordt. Hoe langer ik mijn eigen wil opzij zette om maar leuk mee te blijven doen, hoe moeilijker ik het vond om mijzelf te gaan uitten. En meer te delen over mijn proces, en alles wat daarbij komt kijken. Of tegen vriendinnetjes te zeggen dat ik ze zo enorm heb gemist in een toch best wel mega-eenzame tijd.

Want dan komt er ook nog een keer het schuldgevoel om de hoek kijken. Hoe langer het duurt, des te hardnekkiger het schuldgevoel. Extra stemmetjes ‘het duurt al zolang, nu is het wel een keer klaar om het erover te hebben’.

Het hardnekkige schuldgevoel dat me elke keer weer wil overtuigen geen ruimte in te nemen. En vooral geen negatieve. Want in mijn sterk-ontwikkelde-onbewuste-systeempje zijn emoties en dus verdriet negatief. Dat systeempje wil vaak gewoon lekker alles zelf oplossen.

Maar nu is er een nieuwe fase aan gebroken. Yesssss. Een fase waarin mijn gevoel er mag zijn. Een fase waarin ik de tijd neem om terug te blikken, lessen te leren en deze ook overstijgend in te zetten in de rest van mijn leven. Door gesprekken met een fijne psycholoog (niet gefocust op LTH), contact met een ervaringsdeskundige en mooie gesprekken met vrienden en familie kom ik er achter dat ik er 100% mag zijn.

Mét alles wat daar kennelijk (nog) bij hoort.

Ik geloof er dus niet meer in ‘vanaf nu alleen nog maar gericht op de toekomst’. Ik snap volkomen waarom het gezegd wordt, weet inmiddels dat de bedoelingen goed zijn (bijv. troostend of motiverend) en zie dat het puur mijn oude levenspijn is die mij zo triggert in deze zin.

Het doet niet pijn omdat anderen het zeggen. Waar het eerst wellicht voelde als afwijzing doordat ik op gevoelsniveau geen erkenning leek te krijgen, zie ik nu dat het mijn pijn is dat ik mijzelf niet heb erkent. Het raakt me vooral omdat ik zelf al die tijd zo heb gedacht. ‘Hup vooruit, op naar de toekomst, stel je niet aan, houd je groot en maak je klein (overigens best lastig als je zo lang bent).’

Ik wil en ga niet meer geforceerd naar de toekomst kijken. Door dit te forceren, is mijn ervaring, zullen verhalen me blijven achtervolgen. Verhalen die het verdienen om een mooi plekje te krijgen. Waarom komen bijvoorbeeld bepaalde herinneringen steeds terug?

Ik kom er steeds meer achter dat deze herinneringen me iets willen vertellen. Deze verhalen zijn nog niet af, nog niet netjes opgeruimd in het geheugen, omdat ik nog lessen te leren heb. En ik merk dat zodra ik mijn eigen verhalen onder ogen kom, de tijd neem om er eerlijk naar te kijken, dat ze er mogen zijn en ik zie en erken waarom deze herinneringen me nog zo raken, ze langzaam een mooi ‘soort-van-einde’ krijgen. Dat ze een plekje in mijn geheugen krijgen om af en toe nog terug te komen in mijn bewustzijn om er met een glimlach naar te mogen kijken.

En dát geeft juist meer ruimte voor de toekomst.

Dus tegenwoordig neem ik mijn tijd om te voelen. En laat ik de tranen toe als ik mijn lieve vriendinnetje een meisje van 14 met mogelijk hersenletsel zie helpen op de SEH. Ik sta mijn tranen toe en durf dit zelfs te verwoorden naar mijn vriendinnengroep.

Ik houd me niet langer groot of flink. Althans ik doe serieuze pogingen tot. Work in progress. Nu nog op bewust niveau. Maar ik heb er vertrouwen in dat juist dit er voor zorgt dat de onbewuste emotie die eronder zit uiteindelijk ook zal worden geneutraliseerd.

Waar ik vroeger waarschijnlijk alleen sociaal gewenst gedrag had laten zien ‘oh wat leuk en stoer dat je op tv bent’, zie ik nu dat deze twee dingen gewoon naast elkaar kunnen bestaan.

Ik vind het én leuk voor haar dat ze op tv is (en mega stoer!!) én voor mezelf best confronterend om te zien.

Advertenties

Achterstallig onderhoud; Valencia!

‘Kort’ na het ongeval ging ik met mijn vriend naar Valencia. Vakantie vieren. Vakantie stond in mijn hoofd altijd gelijk aan geen stress en rust. Of in ieder geval veel rustiger dan het hectische alledaagse studentenleven.

Zo kan ik nog wel een aantal redenen opnoemen waarom ik destijds wél op vakantie ben gegaan. De neuroloog had bijvoorbeeld gezegd dat het kon, en het was immers al 6 weken na het ongeval en dat was de ‘beloofde’ hersteltijd van de hersenschudding, de vakantie was al betaald en geboekt, en dan deed ik toch gewoon rustiger aan: 1 dingetje per dag in plaats van 4 of 5 highlights af kunnen vinken?

Allemaal beredeneringen op basis van cognitie. En logisch ook want destijds leefde ik 100% op basis van cognitie.

Dat ik een naar gevoel kreeg van te voren toen me (op een bepaalde manier) werd gevraagd ‘Of we wel op vakantie konden gaan?’ en ik een nog veel naarderder gevoel kreeg op het vliegveld vlak voordat we de lucht in zouden gaan, daar kon ik niks mee.

Daar deed ik niks mee.

Behalve wegdrukken. Ver weg.

En dus gingen we naar Valencia. Rustig aan doen, vakantie vieren.

Maar dat rustig aan doen viel flink tegen. In Nederland ging ik de eerste 6 weken met sprongen vooruit. Ik maakte weer wandelingen, ontving bezoek, deed boodschappen, ik kookte en had veel en veel minder pijn. Kortom ik voelde me toch wel goed genoeg voor een vakantie?

Dat viel behoorlijk tegen. Rustig aan doen herstellende van een hersenschudding betekent kennelijk niet een stedenbezoek en gewoon maar één dingetje per dag doen. Het betekent niet je vriend de zware tassen laten dragen en hem altijd de boodschappen laten doen. Het betekende niet het strand bekijken i.p.v. er de hele dag op liggen. Het betekende niet een kort kijkje nemen in de markthal i.p.v. er eindeloos slenteren en uitgebreid lunchen. Het betekende voor mij niet, ’s ochtends een korte activiteit, ’s middags rusten in het appartement en ’s avonds even ergens eten en weer naar huis i.p.v. de hele dag door activiteiten doen, highlights spotten, lokale restaurantjes ontdekken en ’s avonds nog even een terrasje pakken.

Dat was was ik voor het ongeluk zou hebben gezien als extreem rustig aan doen.

En dus viel Valencia flink tegen. Terwijl ik dus rustig aan deed; rustig aan volgens mijn oude referentiekader.

Ik kon wel zien hoe mooi alles was, maar ik kon het niet voelen. Ik kon van buiten wel glimlachen om de grapjes van mijn vriend, maar intern was ik alleen maar heel moe en in verwarring. Ik kon wel voelen hoe warm het was, maar ik kon er niet echt van genieten.

Waar ik voor de reis de sociale druk voelde om wél te gaan, hoorde ik na die tijd alleen de bekritiserende stem ‘Heb je dat wél gedaan? Hoe kun je nou zo stom zijn’. Mijn eigen stem in vragen van anderen. En die gedachte, gekoppeld aan de inwendige niet geuite stress tijdens de trip en de ziekenhuis periode 6 weken eerder, werd een trauma. Dat hét mijn eigen schuld was, dat ik niet herstelde. Dat ik mezelf voor altijd had verpest.

Tijdens de revalidatie heb ik voor specifiek deze ervaring EMDR gehad. Destijds had ik niet heel erg het idee dat het me nou hielp. Ik werd er tenslotte niet beter van. Ik had nog veel steeds klachten.

Maar laatst, denkende aan mogelijkheden voor een volgende vakantie, popte er ineens een gedachte in mijn hoofd. Een stedentrip, zou dat niet weer een keer leuk zijn?

En gelijk werd de link gelegd naar het voor mij ‘beruchte’ Valencia. En merkte ik ineens dat ik hier veel beter naar kan terugkijken. Zonder in paniek te raken. Zonder een al te streng oordeel over mezelf. Terwijl ik het destijds niet merkte omdat ik hoopte op een totaaloplossing heeft de EMDR dus echt wel effect gehad.

En daar op dat moment besloot ik om de foto’s er eens bij te pakken. De foto’s waarvan ik nu blij ben dat ik ze niet online ritueel verbrand heb; omdat dat wel meerdere keren door mijn hoofd is gegaan. De foto’s die ik 3.5 jaar later nog nooit had bekeken. Alleen al bij de gedachte van het bekijken van die foto’s raakte ik voorheen namelijk al in paniek.

Ik had het destijds best wel goed heel ver weg gestopt.

Af en toe zegt iemand wel eens tegen me ‘Vanaf nu alleen nog maar vooruit kijken’. Hoewel ik dat meer en meer doe, werkt het voor mij niet helemaal zo. Ik heb het juist nodig om zo’n 5 a 10% van de tijd terug te kijken, aandacht te geven aan gedachtes die in me opkomen. Er eerlijk naar durven kijken, voelen of er nog pijn zit en dan de pijn vanuit het verleden (of heden) doorvoelen en daardoor 90% van de tijd in het hier en nu kunnen leven. In het hier en nu; op weg naar de toekomst.

En dus klikte ik wat foto’s bij langs en ging het van:

  • Wow wat ben ik hier best wel dun
  • ‘Oh dat broekje dat ik in het ziekenhuis had geleend van mijn zusje heb ik helemaal niet teruggegeven’ Sorry zus.
  • Oh hier zie ik er best goed uit
  • Oh ja die boom, die was zo mooi!!!!
  • Oh ja die show was echt grappig opgezet, maar wat moest ik m’n best doen om er een glimlach uit te krijgen
  • Nu begin ik er toch wel erg moe uit te zien
  • Oh ja hier doe ik heel erg mijn best om te doen alsof ik het leuk heb
  • Wow, dat shirtje kon ik toen kennelijk wel dragen en nu niet meer omdat hij zo glittert

Allemaal gedachtes. De cognitie blijft, maar het nare gevoel wat ik lange tijd heb gehad is verdwenen. De paniek is eruit, ‘het gevoel wat stom van me, hoe heb ik dit kunnen doen, ik heb mezelf verpest, het is mijn schuld’ is verwerkt.

Ik kan er naar kijken zonder heftige paniek.

Wel voelde ik nog verdriet. De pijn dat ik me destijds zo eenzaam heb gevoeld. Zo in mezelf. Dat ik helemaal niet kon begrijpen wat er nou allemaal gebeurde, wat wel of niet goed voor me was, dat ik dat ook niet van mezelf mocht verwachten, dat ik überhaupt niet de kennis had om dit te kunnen begrijpen, maar wel zelf veel keuzes moest maken. De pijn dat ik al die tijd zo streng voor mezelf ben geweest; zo genadeloos oordelend. De pijn dat ik puur leefde op basis van die cognitie en toen niet naar mijn gevoel kon luisteren.

Maar ook tranen van de mooie lessen die erin zitten; dat ik het nu steeds beter mijn gevoel kan volgen. En tranen van de mooie gesprekken met dierbaren, die zorgen voor een nog diepere verbinding.

Door het bekijken van de foto’s en erover te praten met mijn vriend ‘Volgens mij had ik toen niet door hoe slecht het eigenlijk met je ging’, kon ik ook het verdriet van onder andere de eenzaamheid en verwarring verwerken.

En nu, als ik de foto’s bekijk is het ‘gewoon’ een herinnering geworden. Meer waarnemend. Zonder een heel streng oordeel. Zonder paniek. Het is gegaan zoals het is gegaan.

Bovendien herinner ik me naast de minder leuke dingen, ook weer de dingen die best leuk waren. Het was niet alleen maar kommer en kwel; zoals ik mijzelf de hele tijd had verteld.

Het beruchte Valencia, ‘gewoon’ een herinnering; met veel kleine herinneringen.

 

 

img_0189

‘Wow wat ben ik hier best wel dun’ + ‘Oh dat broekje dat ik in het ziekenhuis had geleend van mijn zusje heb ik helemaal niet teruggegeven’

img_0197

‘Hmm hier zie ik er best goed uit’ en ‘Oh ja die boom was zoooo mooi’

img_0382

‘Oh ja hier probeerde ik wel te lachen, maar was ik echt mega moe en verward’

img_0328

‘Oh ja hier lach ik alleen van buiten, maar voelde ik me slecht’, ‘Dat glitter-shirt kon ik kennelijk toen nog wel verdragen’

Voor je kijken doorlopen

Had je me een jaar geleden gevraagd of ik balansproblemen heb, dan had ik vol overtuiging NEE gezegd. Nu een jaar later besef ik me dat het met van de een op de andere dag chronisch ziek zijn best lang kan duren voordat je al je klachten 100% volledig kan opdreunen.

Die balansproblemen kwam ik gewoon niet (of niet opvallend genoeg) tegen de eerste 2 jaar na het ongeval. Ik had mijn levensstijl dusdanig aangepast dat ik niet merkte dat ik wel degelijk moeite had met balans. Ik leefde een vrij minimaal leven. Ik deed niet aan teamsport, speurtochten waarbij je om je heen moet kijken tijdens het lopen of aan vliegtuigspotten (omhoog kijken).

Ik deed voornamelijk aan ‘voor je kijken doorlopen’. Ik wandelde best veel. Een vast rondje dat ik door en door kende; ik was opgegroeid in die buurt. Toen ik 11 a 12 was gingen mijn zusje, een vriendin van mijn zusje, een vriendin van mij en ikzelf wel eens hardlopen daar. Hoewel, zo noemden we dat. Met terugwerkende kracht zou het eigenlijk gezelligheidslopen moeten heten. Ik denk dat het rondje dat we deden ongeveer 3 kilometer was. Bovendien, hard gingen we zeker niet. En we namen standaard een pakje koekjes mee voor onderweg. Halverwege hadden we namelijk altijd pauze met koekjes.

Nostalgie.

Het vaste rondje dat ik 3 a 4x per week liep ongeveer een jaar na het ongeval bestond uit 1) een in mijn geheugen goed bekende route, 2) redelijk lange rechte stukken, 2) verharde effen weg, 3) met minimaal verkeer. Daardoor kon ik vrijwel altijd ‘voor me kijken doorlopen’.

Dit zorgde ervoor dat ik wist wat er aan zat te komen aan omgeving en niet hoefde te zoeken (bekende weg), dat ik weinig bochten hoefde te maken of naar rechts of links moest afslaan (lange stukken weg), 3) dat ik ideale loopomstandigheden had (verharde effen weg) en weinig om me heen hoefde te kijken tijdens het lopen (minimaal verkeer).

Oftewel de ideale evenwicht-omstandigheden.

Nu ik verhuist ben en zeker 3 keer per week alleen of samen ga wandelen, kan ik wel stellen dat mijn balans toch niet zo perfect is dan dat ik al die tijd dacht.

Ik denk dat ik er nu zo ongeveer achter ben wat de mitsen en maren van het wandelen zijn; de nieuwe spelregels van het wandelen.

Want mijn balans lijkt in orde. Ik zeg niet dat ik nooit val, maar zeker niet vaker dan een normpersoon. Een chaotische, te-veel-doen-willende-vrouw-en-daardoor-soms-onhandig-lijkende-vrouw van mijn leeftijd. Ik val dus vrijwel nooit. En je ziet dus niks aan me.

Waar ze vanuit het revalidatiecentrum ook voorstelden om andere, rustigere activiteiten met vriendinnen te gaan ondernemen, bijvoorbeeld wandelen, kom ik er steeds meer achter dat rustig niet per se beter is. Dat balansen tijdens een zogenaamd rustige activiteit als wandelen gaat namelijk niet echt meer vanzelf. Het kost me veel energie. En dus kan ik maar beter de spelregels des wandelen een beetje in de gaten houden, zodat ik niet langer hoef bij te komen van de wandeling dan dat ik daadwerkelijk aan het wandelen bent.

Nu ik goed weet waar ik op kan letten, hoef ik me alleen nog maar braaf aan de nieuwe spelregels te houden.

 

 

 

 

 

 

 

Goede gewoontes; mindfulness vs mediteren

Al voor de revalidatie had ik er – natuurlijk – van gehoord. Mindfulness. Ik luisterde via YouTube ook wel eens naar – bodyscans, geleide ademfocus oefeningen of mindful wandel toespraakjes.

Veel later, na het kopen van een heus mindfulness boek, deed ik zelfs dé rozijn-oefening.

Maar dan met chocola.

Omdat er een wachtlijst was bij het revalidatiecentrum werd me aangeraden de tussentijd te overbruggen bij een voormalig-neuropsycholoog. Na enkele sessies CGT, werd me het voor het eerst ‘officieel’ aangeraden: mindfulness.

Bij het revalidatiecentrum was het ook hip. Advies psycholoog: mindfulness, advies bewegingsagoog: mindfulness, tip revalidatie ontslag brief: mindfulness.

Bij PMT – ook in het revalidatiecentum – gingen we zelfs oefenen met mindfulness. En ik geef toe, zo’n persoonlijke geleide oefening door iemand met een fijne, rustgevende stem is gewoon mega-ontspannend.

Ontspannen zitten op een goed ondersteunende stoel. Ogen dicht. En dan ‘moest’ ik me inbeelden dat ik bij een rustig kabbelend riviertje zat. En elke keer als er een gedachte op kwam, dan kon ik me inbeelden dat dat een bootje was, die kwam, maar ook weer door vaarde. Als vanzelf. ‘Gedachtes komen en gaan’. ‘Je hoeft er niks mee te doen’. ‘Je hoeft er niet op in te gaan’. ‘Je hebt gedachtes; je bent ze niet’.

Allemaal waarheden.

Omdat ik 1) de PMT-therapeut niet mee naar huis kon nemen, 2) niet de rest van m’n leven elke dag naar het revalidatiecentrum wil (of überhaupt mag) en 3) ze helaas geen bandjes voor me inspreken wou, kreeg ik de opdracht hét zelf thuis te gaan doen.

Enkele weken later vertelde ik trots aan de PMT-therapeut dat ik mijn manier had gevonden. Al oefenend (lees struggelend) herinnerde ik me namelijk wat mijn tante me ooit een keer had gezegd. Zij stelde zich een arena voor. En een gedachte was een stier, die de arena in kwam, maar ook via een andere poort de arena weer uit ging.

Ik maakte me de oefening eigen. Bij talentenjachten kan je er ook niet zomaar vandoor gaan met het liedje van een ander. Het is altijd beter om er iets van jezelf aan toe te voegen. Iets unieks. Anders haal je de volgende ronde nooit.

Dus stelde ik me voor dat ik met een honkbalknuppel de wilde stieren (de opkomende gedachtes) de arena uitmepte. Gedachtes niet vanzelf weg laten gaan, maar gewoon lekker zo’n minder leuke, onhandige gedachte of to-do-dingetje al gniffelend nog even een zetje na geven. Kabam!

Gelukkig was mijn PMT-therapeut niet zo streng.

Zelfs na het eigen maken van de oefening lukte het me niet om het mindfulness vol te houden. M’n zusje had overigens hetzelfde met mindfulness. (En spoiler alert: dezelfde openbaring met meditatie.)

Bij de SI-therapie kreeg ik als oefening voor het opbouwen van prikkels de opdracht om 3x per dag op een stoel te zitten, diep te zitten en te letten op een diepe ademhaling. Naarmate er andere vervangende oefeningen kwamen merkte ik hoeveel ik het gewone zitten miste en me had opgeleverd. In de tijd van deze oefening ervoer ik meer rust en helderheid gedurende de dag.

Sindsdien doe ik aan mediteren. Mediteren past gewoon beter bij mij dan mindfulness. Althans als het gaat om ‘stilzitten’. Ik kan tegenwoordig heel goed mindful koken of mindful tandenpoetsen. Maar niet mindful zitten.

De pure vorm van meditatie past beter bij me. Niet denken aan een kabbelend riviertje met bootjes, een boom met vogels of een arena met stieren. Gewoon zitten. In een makkelijke houding. Op een fijne stoel.. En letten op mijn ademhaling. Het diepe zitten. Voelen wat er in je opkomt. En weer terug naar de ademhaling.

In deze blog zit dus serieus een soort van boodschap. Geef niet op als iets voor jou niet werkt. Zoek naar methodes die bij jou passen (Misschien dat hulpverleners dit ook meer zouden kunnen toepassen? Methodes aanpassen per patiënt? Is maar een klein ideetje.).

Vooral lezen over meditatie-technieken heeft mij ook erg geholpen. Er zijn vast heel veel boeken over meditatie, met allemaal wijze lessen, maar mijn bieb had deze: Puur mediteren, van Robert Butera. Dit boek legt uit wat meditatie inhoudt, vertelt over verwachtingen, aannames en misvatting ten aanzien van mediteren en geeft een overzicht van zes verschillende meditatiestijlen. Het boek is vooral een hulpmiddel voor het vinden van de meditatiestijl die bij jou persoonlijkheid, voorkeuren en levenservaring past. Door een vorm te vinden die goed bij je past zou het makkelijker zijn om het mediteren vol te houden op de lange termijn.

Mijn bieb had ook deze: ‘Waarom succesvolle mensen mediteren; de Sillicon Valley methode’, van Hans Peter Roel. Een makkelijk leesbaar boek, vooral interessant voor beginners. Dit boek laat zien dat mediteren helemaal van deze tijd is.

En als ik zelf een ervarings-tip mag geven is het wel: doe het Kaizen. Begin klein, voel wat bij je past en bouw vandaar uit. Ik begon met een paar minuten, kon al vrij snel 10 tot 15 minuten ‘stil’ zitten en nu…. snap je waarom ik zo weinig heb geblogd de laatste tijd.

Ik zit de hele dag op mijn stilteplekje.

 

kaizen

De meeste dromen…

vertellen me een waarheid.

Inmiddels ben ik bijna 3 jaar aan dromen verder sinds het ongeval. Gemiddeld dromen we 5 tot 7 dromen per nacht. Dit komt neer op 25% van je slaaptijd aan dromen. Vanwege het niet altijd even goede slapen, maar ter compensatie mijn mega structuur wat betreft op tijd naar bed en het toch niet kunnen uitgaan / laat maken met vriendinnen,  kom ik toch neer op zo’n 7 uur per nacht aan slaaptijd.

Dat zijn dus plusminus zo’n 6*3*365,25= 6574,5 dromen. Oftewel 0,25*7*3*365,25 ≈ 1917,6 uur aan dromen. Best veel.

Met deze dromen heb ik een haat-liefde-verhouding. Niet in de zin van de ene keer is er haat, de andere keer liefde. In de zin van eerst was er haat. En nu is het liefde.

Op  1 advies van neuroloog 1 probeerde ik na 6 weken rustig aan mijn oude leven op te pakken. Maar dat lukte niet. Ik wist niet waarom. Iedereen vroeg hoe het met me ging. Ik wist niet hoe het met me ging.

Het eerste jaar sliep ik slecht en droomde ik naar. Terwijl mijn verwonde, verwarde hoofd juist rust nodig had. En die nare dromen zaten me dus flink in de weg. Als ik niet meer naar zou dromen, dacht ik, zou ik beter slapen. En beter slapen was goed voor de gezondheid. Dus wou ik de dromen wegstoppen, ze zo snel mogelijk vergeten of zelfs bewust proberen te veranderen (lucide dromen).

Uiteindelijk kreeg ik zelfs medicatie om beter te slapen. Het slapen ging inderdaad beter. Maar de nare dromen bleven.

Na 9 maanden kwam ik bij het revalidatiecentrum. Ondertussen was ik er achter gekomen mijn dromen konden worden onderverdeeld in verschillende categorieën.

Voorbeeld-dromen:

  • Meedoen aan een belangrijke, zware, prestigieuze zwemwedstrijd. (Categorie: dingen moeten doen die niet lukken)
  • Op een drukke BBQ met vriendinnen en dat ik probeerde mezelf uit te drukken dat ik dit echt niet kon, maar dat niemand me hoorde. (Categorie: mezelf verontschuldigen/  proberen mensen naar me te laten luisteren / geen erkenning)

Enkele maanden later deelde ik mijn frustratie bij een vervangend-psycholoog over weer een nare droom. En de naar mijn idee resulterende vermoeidheid van die dag.

‘Vertel eens hoe die droom ging’, antwoordde zij. ‘Nou…, ik was in m’n moeders huis (ouderlijk huis) en m’n broer, zusje en broertje waren er ook. Net als vroeger sliep iedereen die nacht thuis. Er brak een grote brand uit en ik had het als eerste door. Ik belde mijn vader die dichtbij woonde dat er brand was. Tegelijkertijd met mijn vader kwam ook de brandweer terwijl ik die helemaal niet had gebeld. Nadat ze ons gered hadden en iedereen veilig was, vertelde de brandweer dat ze tegenwoordig iedereens telefoon afluisterden en daardoor konden traceren dat er bij ons brand was’.

Terwijl ik de droom totaal niet fijn vond, er bezweet van wakker was geschrokken en het gevoel had dat deze nacht me meer energie had gekost dan gegeven, reageerde de psycholoog: ‘Er werd wel naar je geluisterd in deze droom’.

En inderdaad. De eerste stap in verwerking was gezet. De erkenning die het revalidatiecentrum me gaf en daardoor mijn omgeving mij ook kon geven, was voor mij een belangrijke stap in de verwerking. Na 9 maanden eenzaam overleven, kreeg ik in het revalidatiecentrum en door 2 afspraken met neuroloog 2 het gevoel dat ik gehoord werd. Dat mensen naar me luisterden.

Tevens verklapt dezelfde droom dat ik misschien iets te veel House of Cards kijk.

Na bijna 3 jaar aan dromen heb ik pas helemaal door dat ze me helpen in plaats van energie kosten. Ze helpen me verwerken. Ze vertegenwoordigen mijn onderbewustzijn. Mijn ik. Dat stukje van mezelf waar ik nooit helemaal goed naar heb geleerd te luisteren.

Dat het beter en moedig is om pijn toe te laten. Nare dromen onderdrukken of ze proberen zo snel mogelijk te vergeten heeft voor mij geen zin. Momenteel droom ik ook steeds meer over vroeger. Over voor het ongeluk. En dat is waar ik nu emotioneel ook aan toe ben. En hoewel al dat verwerken me nu hopeloos veel energie kost; durf ik steeds vaker te dagdromen dat ik hier nog wel eens beter uit kan komen dan dat ik er in ging.

Dromen. Ik (ont)vang ze. Ze zitten me niet meer in de weg. Ze wijzen me de weg.

 

dromenvanger

 

 

 

 

Feed it forward

Mijn hersens denken te snel voor mijn hersens. Het lijkt alsof er een soort disbalans is tussen verschillende hersen-delen. Ik denk extreem snel. Ik verwerk trager. En handel (beweeg) daardoor sneller dan mijn lichaam verwerkt. Of zoiets.

Deze voor mij belangrijke les leerde ik twee maanden geleden bij de SI therapie.

Eerlijk is eerlijk. Voor het ongeval had ik hier ook al last van. Door de combinatie van 1) een zware studie, 2) mijn opgebouwde-uber-perfectonistische-&-altijd-doorgaan-levens-mechanisme-&-persoonlijkheid en 3) ook sociaal, sport en bijbaantjes mét veel verantwoordelijkheid voor de volle 100% willen onderhouden, ging ik al geruime tijd ver over mijn grenzen.

Echter is mijn informatieverwerking sinds het ongeval ietwat verandert. Mijn hersens zijn door de schudbeweging in de war geraakt en zijn (nog!) niet in staat de informatie even snel door te geven als voorheen. En hierdoor is de disbalans tussen denken en verwerken nog groter geworden.

En nu volgt het leuke van de SI-therapie. Wat totaal bij mijn persoonlijkheid past. Denken in oplossingen. 

Waar ik de eerste weken nog redelijk wat moeite met de conclusies van de gesprekken. Alles ‘moest’ namelijk anders. En dat voelde als een keuze tussen ALLES of NIETS. En omdat alles schijnbaar niet goed voor me was; voelde het de keuze voor me werd gemaakt: ‘Ik mocht/ kon niets’ .

‘Kun je die sociale afspraak niet inkorten qua tijd?’,’Kun je niet op een andere locatie afspreken?’, ‘Kun je niet dichterbij huis gaan fotograferen’, ‘Een uurtje achter de computer per dag lijkt me op dit moment wel genoeg voor jou’. ‘Vier keer met een licht hoopje was lopen, is beter dan in 1x alles naar boven dragen’. ‘Kun je niet aan tafel eten in plaats van voor de tv?’.

Maar nu heb ik het door. Alles mag nét even anders. Het moet niet. Daar kies ik nu bewust voor. Zodat ik de dag nét iets beter volhoudt. Op een prikkelarme manier. Overprikkeling voorkomen betekent mijns inziens je lichaam de kans geven te leren. Kortere stukjes achter elkaar, de juiste plek aan tafel en een minimaal aantal hoofdrotaties per activiteit. Én feed forward; mijn nieuwste strategie.

Door het trauma is mijn zenuwstelsel redelijk spastisch afgesteld. Het maakt zich onnodig zorgen. Bij een minimale afwijking tussen wat mijn lichaam denkt te gaan doen of wat mijn lichaam denkt dat er in de omgeving gebeurt en wat ik daadwerkelijk doe of wat er daadwerkelijk in mijn omgeving gebeurt schiet het in de FIGHT-or-FLIGHT-or-Freeze modus (FFF-reactie). Een ingenieus systeem om met gevaarlijke situaties om te gaan.

Heel lief dat mijn zenuwstelsel me zo goed wil beschermen; maar het kost me hopeloos veel energie. Om te fighten of te flighten of te freezen worden namelijk allerlei mechanismes in werking gesteld in het lichaam. De hartslag wordt verhoogd, spieren aangespannen en zintuigen verscherpt. En dat is onnodig.

Doordat ik sneller denk dan dat ik verwerk en daardoor sneller handel dan mijn eigen lichaam verwacht, maak ik bewegingen die nog niet tot diep in mijn centrale zenuwstelsel zijn doorgedrongen. Feed forward is hiervoor dé oplossing. Voordat ik bewegingen maak die mijn FFF-reactie triggeren zeg ik in mezelf wat ik ga doen. Ik neem hierdoor micro-micro-pauzes en geef mijn hersens de kans te verwerken wat er gaat gebeuren voordat mijn lichaam actie onderneemt.

En dus heb ik de smaak flink te pakken. Door te feed forwarden kan ik mijn stress-reacties in bepaalde situaties voorkomen. Nu vooral nog de situaties die ik zelf in de hand heb. Bewegingen die ik zelf maak.

Een 180 graden draai om tijdens het koken (nu iets minder) snel iets uit de koelkast te pakken. Een afslag naar rechts of links die ik neem per fiets. Of de Cassina-Kovacs-Kolman, je weet wel, die oefening aan de rekstok met drie vlucht-elementen.

Mocht ik die willen doen.

Dit geeft me hoop en kracht dat ik ook weer zou kunnen wennen aan situaties die ik zelf minder goed in de hand heb. Leren omgaan met is het sleutelwoord. Maar wennen aan nieuwe dingen in kleine stapjes ís mogelijk!

 

 

 

Lesje programmeren

Nerdblog.

Voor mijn masterscriptie ‘schreef’ ik een [al zeg ik het zelf, ingewikkeld] metaheuristiek. Dit is een wiskundige oplossingsmethode. Vaak wordt deze methode gebruikt als een probleem te groot [complex] is om binnen een reële tijd optimaal op te lossen. Een metaheuristiek doorzoekt op een slimme manier het zoekgebied van alle mogelijke oplossingen met als resultaat een dichtbij-optimale-oplossing.

Oftewel een ‘near-optimal’ solution.

[In het Engels klinkt wiskunde toch net iets beter].

Ik schreef een distributie heuristiek. Kort samengevat ging het over het vinden van de snelste routes in een netwerk met verschillende type bezorgbusjes, winkels, een webshop en klanten. En nog allerlei andere toevoegingen om het probleem nog realistischer [en dus ingewikkelder] te maken.

Het is vaak in me opgekomen of het niet mogelijk zou zijn om een soortgelijk algoritme aan te sluiten op mijn hersens. Deze zou dan precies beschrijven welke cel wanneer aan wie een bepaalde boodschap doorgeeft.

Dé optimale oplossing voor mijn prikkelverwerkingsprobleem.

Maar inmiddels heb ik dit omgedacht naar een betere analogie. Want met hersenletsel bestaat dé optimale oplossing niet. Met de miljarden hersencellen in het hoofd is het probleem te ingewikkeld om optimaal op te lossen. Zelf al zou je een super-duper-super-computer kunnen aansluiten op je hoofd dan duurt het ontelbaar veel jaar voordat ie met een oplossing komt.

Terwijl ik die real-time nodig heb.

Het heuristiek dat ik schreef voor mijn scriptie was gebaseerd op de natuur. [Net als vele andere heuristieken]. De mijne hoorde in de categorie ‘genetic algorithm’. Dit zijn heuristieken geïnspireerd door evolutie-mechanismes. De heuristiek maakt gebruik van natuurlijke evolutie processen als erfelijkheid, mutaties van genen en selectie (inclusief survival of the fittest). Het vinden van een goede oplossing is een zoekproces; het is een recept om een probleem systematisch aan te pakken. Genen beschrijven oplossingen. Door het combineren (voortplanten) van genen ontstaan nieuwe oplossingen. Aan de hand van ‘slimme regels’ evalueer je oplossingen en verbeter je oplossingen.

In een best wel heel erg versimpelde weergave (2D) van de heuristiek ziet dat er ongeveer zo uit:

1) Na een tijdje zoeken vind het de heuristiek een ‘goede’ oplossing. Oftewel voor mij: een goede dagstructuur.

IMG_8804

2a) Deze kan worden verbeterd door ‘local-search techniques’. Voor mij: positieve dingen in huidige dagstructuur bestendigen. Heel belangrijk. Zo ruilde ik vorige week een wandeling in voor een halve wandeling en een halve hardloopsessie. En dat ging gewoon goed.

IMG_8805

2b) Echter om te vermijden dat de heuristiek met een lokaal-optimum als eindresultaat komt implementeerde ik ook differentiatie operators [zoals mutatie en het behouden van een diverse populatie]. Voor mij: soms is het goed om naast het bestendigen van de positieve dingen ook nieuwe dingen te proberen. Out of the comfort zone.

En dat kan dan gelijk goed uitpakken. Maar ook best tegenvallen. SOS. Op het eerste gezicht.

IMG_8806

 

3) Want ook al lijkt het in eerste instantie helemaal niet te lukken. Na oefenen, wennen en aanpassen kan het best leiden tot een betere ‘oplossingen’. Een structuur waar ik me nóg prettiger bij voel.

IMG_8807

 

 

 

 

 

 

 

Takes one to know one

Woman on the beach: ‘Sir, could you please get a different sunbed? Yours is making a sound everytime you move.’

Paul: ‘Yes, no problem.’

Vorige week keek ik in de spiegel. Dat doe ik wel vaker, maar deze keer deed het me denken aan ‘de vrouw op het strand’.

Vorige nazomer waren we op vakantie naar Sicilië. Aangekomen op het strand zocht ik het rustigste plekje uit. Aangezien het al september was waren niet alle strandtenten open. Er was er één die niet open was, maar waar nog wel ligbedjes lagen. Waar het overal redelijk druk was, lag hier maar 1 koppel. Perfecte plek gevonden.

Aangekomen bij de bedjes legden we onze spullen neer, maakten onszelf zon-klaar om vervolgens op de ligbedden plaats te nemen. We zaten net of de vrouw van het koppel achter ons sprak Paul aan. Of hij een ander ligbedje kon pakken. Het bedje die hij nu had piepte bij elke beweging.

Na een uurtje of wat piep-&-kraak-vrij-liggen  was het tijd voor mijn zelf beloofde ijsje. Voor Paul kon ik wel een cola ophalen. Inmiddels was er een strandverkoper op een lege stoel iets verderop gaan zitten om uitgebreid te bellen. Bevestiging dat het tijd werd voor een ijsje.

Via tripadvisor was ik erachter gekomen dat een van de best gewaardeerde ijssalons in dit kustplaatsje zat. En dan moet ik daar natuurlijk per se heen. Dus met telefoon in de hand ging ik op pad. De ijssalon zat echter niet precies op de aangegeven locatie. Een half uur wandelen, wat ook 5 minuten hadden kunnen zijn (als ik bij mijn eerste splitsing links in plaats van rechts was gegaan; zo zie je maar weer, altijd luisteren naar ‘Elisa was here’ Waar iedereen rechtsaf slaat, …).verder liep ik er toch tegen aan. Het ijs was de wandeling gelukkig waard.

De strandverkoper had kennelijk meer dan een half uur zitten bellen. En ook nog eens erg luid. Op zo’n markt-verkoop manier. Paul vertelde dat het ‘de vrouw op het strand’ aan haar man had gevraagd of ze kon vragen of hij ergens anders wou bellen. Toen wist ik het vrij zeker. Een lotgenoot. Of in ieder geval iemand met dezelfde klachten; zintuigelijke overprikkeling (overprikkeling uitgelegd). Of zoals mijn moeder zich wel eens onbewust verspreekt: een soortgenoot; waardoor ik inwendig altijd een beetje moet lachen. Eigenlijk hoop ik stiekem dat ze dit niet leest.

Vorige week had ik een aantal zon-momenten meegepikt op ons balkon. Waarna ik in de spiegel keek en het voor het eerst opmerkte. Mijn ogen als een omgekeerde pandabeer. Witte rondjes om mijn ogen. De rest van mijn gezicht iets bruiner. En dat deed me dus herinneren aan ‘de vrouw op het strand’.

Zij had destijds dé oplossing.

 

Image-1.png

#nieuwehobby #genietklein

Gister ging ik op pad met mijn nieuwe camera. Om dit gedoseerd & SI-proof (Sensorische Integratie therapie, Houding en houding) te doen zit hier een ingenieus draaiboek achter. De ene keer maak ik een wandeling zonder camera. En ga ik op zoek naar de beste foto-objecten en posities.

De volgende wandeling mag de camera mee. Dan wandel ik redelijk doelgericht en vol spanning naar mijn gekozen objecten. Hoe staan ze er die dag bij? Per tocht fotografeer ik op deze manier een beperkt aantal dingen en voorkom ik overprikkeling door de 1001 mogelijk fantastische foto’s die er te maken zijn die dag. Ook leer ik door deze aanpak beter fotograferen. Van te voren kan ik nadenken welke instellingen ik wil gaan variëren bij welke soorten foto’s.

Daarnaast heb ik een marge. En deze marge maakt mij extreem blij. Vond ik gister uit.

Onder een kleine brug zag ik namelijk een nest met een meerkoet. Die had ik eerder nog niet gespot. Als een echte fotograaf manoeuvreerde ik mij ietwat voorzichtig (ter compensatie van genetische onhandigheid en preventie van ik, de camera of samen te water gaan) via de berm tot vlak naast het water.

Net op het moment dat ik klaar zat voor de foto, kwam papa meerkoet eraan. Met voer. Mama meerkoet wipte wat omhoog en er kwamen 2 baby meerkoetjes tevoorschijn. Eten voor de kleintjes.

Tien minuten gratis glimlach-meditatie voor mij.

En met modder doordrongen schoenen, een broek met bevlekt zitvlak en brandnetel-bultjes op mijn linkerhand.

 

new_quotescover-JPG-43

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Doseren kun je leren

Ik geef het toe. Op papier ben ik de beste versie van mezelf.

Laatst vertelde een vriendinnetje dat ze vond dat ik ondanks mijn situatie positief overkwam. Ze woont nu in Amerika. Daardoor hadden we elkaar lange tijd niet gezien. Ze had wel mijn blogs gevolgd.

En dat is gedeeltelijk waar. Ik ben steeds positiever. Toen met Pasen de klok een uur vooruit ging riep ik: ‘wat fijn!’ Hierop werd ik een beetje raar aangekeken. De ‘Henk & Ingrid’-s vinden dit namelijk helemaal niet zo fijn. Ik zag het als een uur minder dag. Een uur minder de energie moeten rekken om ’s avonds naar bed te kunnen. Ook mijn vriend vond me wel erg positief. Hij herinnerde me eraan dat ik een half jaar geleden nog zo blij was dat de klok een uur terug werd gezet. Omdat ik dan een uur extra kon slapen.

Maar dinsdag ging het weer even mis. Het was een dag dat ik moe was. Extreem moe. Ik ben gewend om altijd maar door te gaan. En die strategie werkt niet meer. Omdat ik dus niet goed ben in het herkennen van de eerste vermoeidheids-verschijnselen adviseerde de psycholoog bij het revalidatiecentrum te letten op foutjes die je maakt. Meer fouten kan een indicatie zijn van moeheid.

Toen ik dinsdag 1) half struikelend over mijn sjaal, 2) de eerste de beste bus in stapte zonder te kijken of het de goede was, 3) een meisje achter me aan kwam rennen met mijn pinpas die ik in de automaat had laten zitten, 4) erachter kwam dat ik een best prijzige trui van mijn vriend te heet had gewassen met als resultaat een kind-sized-trui  EN 5) ik ’s avonds huilend m’n moeder op belde werd het me duidelijk.

Fouten in combinatie met het ook nog heel erg vinden van het maken van die fouten betekent tijd voor reflectie. Stel ik zit nu op een 6. Dan moet ik leren denken in kleine stapjes van vooruitgang. Niet gelijk naar de 10. Eerst komt de 6.5. Dus woensdag was het zover. De eerste van velen die gaan volgen. Woensdag balansdag.

Want ja ik heb ook echt iets. Ik wil opbouwen. Maar dat gaat alleen in kleine stapjes. En mezelf de nodige rust gunnen. Rust die juist nodig is om verder te komen.

Dus woensdag stond ik net wat langer onder de hete douche, nam ik rustig de tijd voor mijn sensorische integratie oefeningen, typte ik een stukje aan een blog en maakte een wandeling. En beloonde ik mezelf met het online kopen van een macro-opzetstukje voor mijn camera.

Woensdag. Een dag zonder sociale afspraken. Een dag om bij te komen, te reflecteren, achterstallige activiteiten in het huishouden bij te werken of een wandeling te maken. Een dag om een serie te kijken of een blog te schrijven. Een dag om een paar foto’s te maken of een nieuw recept te proberen.

En dan niet al die activiteiten op 1 woensdag.

 

BtuUCxOCcAAWCIb